Ons assortiment
Brandhaspels terug

Vaste Haspels :

  • 20m haspels : 3/4" NBN EN 671-1 en CE keur
  • 30m Haspels : 1" NBN EN 671-1 en CE keur
  • onderdelen :  haspeltrommel, driepositielans, axiale voeding, afsluitkraan, haspelgeleider, slang

 Zwenkbare Haspels :

  • 20m zwenkbaar : zwenkbaar 3/4" NBN EN 671-1 en CE keur
  • 30m zwenkbaar : zwenkbaar 1" NBN EN 671-1 en CE keur
  • onderdelen : zwenkbare module, haspeltrommel, driepositielans, axiale voeding, afsluitkraan, haspelgeleider, slang

Haspelkasten :

  • Haspelkast  :                                 afmetingen : 995 * 885 * 350
  • Kast met compartiment blusser :    afmetingen : 995 * 1185 * 350

Regelgeving
In het Bouwbesluit 2003 is geregeld wanneer in gebouwen brandslanghaspels moeten worden aangebracht en welk aantal. Brandslanghaspels moeten voldoen aan de norm NEN-EN 671-1. Volgens het Bouwbesluit 2003 geldt bovendien dat brandslanghaspels: 

  • aangesloten moeten zijn op de drinkwatervoorziening van een gebouw
    niet in een vluchttrappenhuis mogen liggen
    een slang van maximaal 30 meter mogen hebben
    een waterdruk (statische druk) moeten hebben van tenminste 100 kPa
    een wateropbrengst (capaciteit) moeten hebben van ten minste 1,3 kubieke meter per uur (m3/h). Hierbij wordt uitgegaan van het gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels die zijn aangesloten op dezelfde drinkwatervoorziening.

De juiste plaats
Het is de bedoeling dat met de brandslang(en) elk punt in een gebouw kan worden bestreken. Daarbij mag u ook rekening houden met een worplengte van de waterstraal van 5 meter.

Plaats brandslanghaspels zo veel mogelijk bij (nood)uitgangen. Degene die de brand ontdekt kan dan eerst alarm slaan, de brand melden, controleren of er nog steeds een veilige vluchtroute is, en dan beslissen of hij nog gaat proberen de brand te blussen. Als de bluspoging niet lukt en er plotseling veel rookontwikkeling is, dan kan die persoon de uitgang vinden door eenvoudig de brandslang te volgen.

Zorg dat de slang bij gebruik niet door brand- en/of rookwerende deuren gevoerd wordt. Deze deuren moeten na gebruik vanzelf weer sluiten. In de praktijk komt dat erop neer dat er in elk brand- en of rookcompartiment voldoende brandslanghaspels aanwezig moeten zijn.

 

 

Brand! En nu?

1.Alarmeer eerst iedereen in de buurt van de brand en de brandweer voordat u gaat blussen. U weet immers niet of de bluspoging zal slagen en of u de hulp van de brandweer nodig hebt.
2.Ontruim het gebouw zo snel en veilig mogelijk.
3.Probeer dan pas de brand te blussen. Gaat dit niet, verlaat dan zelf ook het gebouw.

 
Hoe blust u?

1.Draai eerst de hoofdkraan geheel open. De slang komt nu onder druk te staan. Controleer dit door de kraan op de spuitmond iets te openen. Probeer zo weinig mogelijk schade te veroorzaken.
2.Rol nu de slang geheel uit richting brand. Doe dat liefst niet alleen, maar met meerdere personen.
3.Zet de kraan van de spuitmond open op de sproeistraalstand.
4.Blus de brand.

 

Legionellapreventie
In het stilstaande water in de slang kan bij bepaalde temperaturen de legionellabacterie voorkomen. Om besmetting van legionella tegen te gaan, zijn daarom de hoofdkranen van de brandslanghaspels verzegeld. Ook worden de brandslanghaspels regelmatig na hercontrole gespoeld.

 


terug

 
webdesign by
© 2009 - www.mediprof.be